Hij kende mij niet… en schold mij uit, alleen omdat ik moslim ben

Charif Slimani

Gisteren was voor mij, zoals zo vaak op zondag, een bijzonder drukke dag.

Honderden leerlingen kwamen langs op onze school, verdeeld over de ochtend- en namiddaggroepen. Het begin van een nieuw schooljaar brengt heel wat organisatie, verantwoordelijkheid en zowel fysieke als mentale inspanning met zich mee. Maar wanneer je de blijdschap van de kinderen ziet, de tevredenheid van de ouders merkt en voelt dat je inspanningen iets betekenen, vergeet je veel van die vermoeidheid. Dan denk je: alhamdulillah, God zij dank.

Diezelfde dag publiceerde ik ook een nieuw artikel in mijn reeks over yaqien, geloofszekerheid. Na het avondgebed zou ik bovendien nog een les geven in de moskee.

Kort voor het avondgebed trok ik mijn djellaba aan, zette mijn traditionele hoofddeksel op en maakte me klaar om te vertrekken. Mijn vrouw en mijn achtjarige dochter waren al voorgegaan en wachtten op mij.

Nauwelijks was ik buiten en onderweg naar hen, of er reed een auto langs. Vanuit de wagen hoorde ik:

“Fuck you, Muslim!”

De bestuurder stak vervolgens zijn middelvinger naar mij op en reed verder.

Het vreemde is dat ik die woorden zelf nog nooit tegen iemand heb gebruikt. Ik kan me ook niet herinneren dat iemand ze ooit eerder tegen mij heeft gebruikt. Ik ben niet opgevoed met dergelijke taal. Mijn opvoeding, mijn geloof en mijn eigen waarden weerhouden mij ervan mensen op die manier aan te spreken. Laat staan iemand die ik niet ken en met wie ik geen enkel conflict heb.

Hij kende mij niet. Ik kende hem niet. Er was geen ruzie, geen discussie, zelfs geen gesprek. Hij zag mij enkele seconden, in kleding waaruit duidelijk bleek dat ik moslim ben. Blijkbaar was dat voldoende om mij uit te schelden.

Ik ga niet beweren dat het mij niets deed.

In enkele seconden gingen allerlei gedachten door mijn hoofd. Moest ik hem volgen? Zijn nummerplaat noteren en klacht indienen? Wat als hij zou stoppen en uitstappen en de situatie zou escaleren? En zelfs als ik klacht zou indienen: hoe zou ik kunnen bewijzen wat hij had gezegd als hij het ontkende?

Terwijl die gedachten door mijn hoofd schoten, was hij al verdwenen.

De man reed verder, maar het voorval verdween niet even snel.

Een andere vraag kwam bij mij op. Deze man had maar één of twee seconden nodig om mij te zien en zo te reageren. Hoe gaat hij dan om met moslims die hij elke dag ontmoet? Met een moslim als buur? Met een collega op het werk? Met mensen die hij regelmatig ziet? Is zijn houding tegenover hen anders, of blijven bepaalde vooroordelen gewoon onzichtbaar zolang het dagelijkse sociale contact dat vereist?

En nog een gedachte kwam bij mij op: hoeveel kwetsende reacties over moslims zou iemand met zulke gevoelens misschien online plaatsen, waar de afstand van een scherm de drempel verlaagt om dingen te zeggen die men in een rechtstreeks gesprek niet zou zeggen?

Ik weet het niet. En ik wil deze man niets toeschrijven wat ik niet zelf heb gezien. Het zijn vragen die dit voorval bij mij opriep.

Misschien is juist dat een van de verontrustende kanten van racisme en discriminatie: soms zijn ze luid en zichtbaar op straat, soms blijven ze verborgen achter ogenschijnlijk normaal dagelijks contact, en soms vinden ze een uitweg achter een scherm.

Toen ik bij mijn vrouw en dochter aankwam, hadden zij niets van het incident gehoord. Toch zagen ze dat er iets met mij was. Mijn vrouw merkte het aan mijn gezicht en vroeg: “Wat is er? Wat is er gebeurd?”

Eerst zei ik: niets.

Maar mijn achtjarige dochter wilde ook weten wat er aan de hand was.

Ik twijfelde. Vertel je een kind van acht dat een man die haar vader helemaal niet kent hem heeft uitgescholden, enkel omdat hij zag dat haar vader moslim is?

Toen dacht ik: misschien moet ze het juist wel weten. Niet om haar bang te maken, maar om haar te leren dat zulke dingen kunnen gebeuren. En dat, mocht zij ooit iets vergelijkbaars meemaken, ze weet hoe ze ermee kan omgaan.

Terwijl ik haar vertelde wat er was gebeurd, kwam een pijnlijke gedachte bij mij op:

Ben ik niet degene die ervoor gekozen heeft dat zij hier geboren zou worden en hier zou opgroeien? En wat als er een dag komt waarop ook zij kwetsende woorden te horen krijgt, alleen omdat ze moslima is?

Op zulke momenten komen vragen terug waarvan je dacht dat je ze al lang achter je had gelaten. Waarom heb ik mijn land verlaten? Waarom ben ik hier? Wat als ik daar was gebleven? En zou ik ooit kunnen overwegen terug te keren?

Tegelijk weet ik dat terugkeren naar je land van herkomst niet betekent dat je terechtkomt in een wereld zonder discriminatie of vernedering. Tijdens mijn laatste bezoek aan Marokko, afgelopen augustus, hoorde ik iemand een ander beledigen enkel vanwege zijn huidskleur, omdat hij zwart was.

De aanleiding voor discriminatie kan van plaats tot plaats verschillen. Hier kan het gaan om religie of afkomst, elders om huidskleur, sociale klasse of iets anders. De vormen verschillen, maar het onrecht blijft hetzelfde wanneer het anders-zijn van iemand een reden wordt om hem of haar minderwaardig te behandelen.

Misschien is het probleem uiteindelijk groter dan één land, één cultuur of één samenleving. Het gaat om een menselijke neiging die voortdurend om opvoeding, bewustwording en moreel besef vraagt, zodat verschillen tussen mensen nooit een excuus worden om hun waardigheid aan te tasten.

Maar mijn verantwoordelijkheid tegenover mijn dochter ging verder dan haar alleen vertellen wat er was gebeurd. Ik moest het zo vertellen dat zij niet bang wordt voor de samenleving waarin ze opgroeit en dat zij het gedrag van één man niet op iedereen projecteert.

Ik wil mijn dochter weerbaar maken tegen racisme, niet haar leren de samenleving te wantrouwen of te haten.

Het opmerkelijke is dat ik enkele dagen eerder in de moskee nog een groep kinderen had ontvangen. Onder hen waren moslims, christenen en kinderen zonder religieuze overtuiging. Ze waren samen met hun leerkrachten islamitische godsdienst, katholieke godsdienst en niet-confessionele zedenleer.

Ik sprak met hen over wederzijds respect. Iedereen heeft het recht zijn geloof, identiteit of overtuiging belangrijk te vinden en er met vertrouwen voor uit te komen. Maar verschillen geven niemand het recht een ander te vernederen, onrechtvaardig te behandelen of aan te vallen.

Enkele dagen later ontmoette ik een volwassen man die mij niet eens dat minimale respect kon geven waarover ik met die kinderen had gesproken.

En toch: ik wil hem niet aandoen wat hij mij aandeed.

Hij wist niets over mij en reduceerde mij toch tot één kenmerk, waarna hij op basis daarvan over mij oordeelde. Ik wil niet dezelfde fout maken door op mijn beurt een hele samenleving te beoordelen op basis van zijn gedrag.

Ik ken zijn verhaal niet. Ik weet niet wat ertoe heeft geleid dat hij zo reageerde. Wat hij deed, zegt iets over hem en zijn gedrag op dat moment. Het zegt niet iets over een hele samenleving.

Iemand beoordelen die je niet kent, alleen vanwege zijn religie of uiterlijk, is precies de vorm van veralgemening die we zouden moeten vermijden. Maar vanuit je autoruit een belediging naar iemand roepen en vervolgens doorrijden, zonder die persoon zelfs de kans te geven te vragen: waarom?, is voor mij geen moedige uiting van een mening. Het is een belediging zonder gesprek en zonder ontmoeting.

Voor hem waren het misschien enkele seconden die hij na de eerste bocht alweer vergeten was.

Ik stond enkele minuten later voor een vraag waarmee ik die dag niet had gerekend:

Hoe leg ik mijn achtjarige dochter uit dat een man die haar vader niet kent hem heeft uitgescholden, alleen omdat hij zag dat hij moslim is?

Toch zullen zulke woorden mij niet minder verbonden maken met mijn geloof. Integendeel. En ze zullen mij evenmin doen geloven dat er een tegenstelling bestaat tussen overtuigd moslim zijn en tegelijk actief bijdragen aan de samenleving waarin ik leef, mensen helpen en respectvol omgaan met wie anders gelooft of denkt.

Toen kwam nog een andere gedachte bij mij op.

Ik had die dag gewerkt, lesgegeven en geschreven. Ondanks de vermoeidheid kreeg ik daar ook onmiddellijk iets voor terug: blije kinderen, dankbare ouders, woorden van waardering en het gevoel dat mijn inzet betekenis heeft.

Dit moment gaf mij niets van dat alles.

Als gelovige probeer ik ook zo’n ervaring vanuit mijn geloof te begrijpen. Op dat moment moest ik denken aan een koranvers waarin profeten, nadat zij met afwijzing en kwetsing werden geconfronteerd, hun keuze uitspreken om geduldig en standvastig te blijven:

﴿وَلَنَصْبِرَنَّ عَلَىٰ مَا آذَيْتُمُونَا﴾

“En wij zullen geduldig verdragen wat jullie ons aan leed aandoen.”
(Koran 14:12)

In die woorden vond ik op dat moment vooral een boodschap voor mezelf. Niet de vraag wat de ander had moeten doen, maar hoe ík wilde reageren op wat mij was aangedaan: zonder mijn waardigheid te verliezen, zonder zelf onrechtvaardig te worden en zonder één pijnlijke ervaring mijn houding tegenover anderen te laten bepalen.

Misschien schenkt God ons voor het geduldig dragen van zulke momenten een beloning waarvan wij de waarde niet kennen. En misschien blijkt standvastigheid niet alleen wanneer mensen ons waarderen, maar juist ook wanneer we gekwetst worden en toch vasthouden aan onze waarden.

En ook ik ging verder.

Ik ging naar de moskee en gaf mijn les.

Ik zal mijn dochter leren trots te zijn op haar identiteit zonder neer te kijken op de identiteit van een ander. Ik wil dat ze weet dat er mensen zijn die haar misschien ooit zullen kwetsen, zonder dat zij daardoor de hele samenleving door de ogen van die ene persoon gaat bekijken.

Hij koos ervoor zijn weg te vervolgen met die woorden.

En ik koos ervoor mijn weg te vervolgen zonder ze met mij mee te dragen.

0 0 الأصوات
تقييم المادة
الاشتراك
نبّهني عن
guest
0 تعليقات
0 0 الأصوات
تقييم المادة
الاشتراك
نبّهني عن
guest
0 تعليقات
Scroll to Top
0
Would love your thoughts, please comment.x
()
x